Het huidige kabinet wil van Nederland een van de duurzamere energielanden in Europa maken. Zo zou in het jaar 2020 het aandeel duurzame energie 20% moeten zijn. Met deze goede intenties wil Nederland een bijdrage leveren aan een milieuvriendelijker energieverbruik en een afnemende afhankelijkheid van de olie- en gasproducerende landen.
Toch is het maar de vraag hoe realistisch de doelstellingen van het kabinet zijn. Het aandeel duurzame energie steeg in 2007 met slechts 0,1 procentpunt ten opzichte van 2006, tot 2,9%. Als het kabinet het serieus meent met de energiedoelstellingen dan is het noodzakelijk dat alles in het werk wordt gesteld om innovatie en investeringen door het bedrijfsleven te stimuleren.
Hiervoor zijn heldere spelregels en duidelijke procedures een absolute voorwaarde. En daar ontbreekt het nogal eens aan. Zo getuigde de afschaffing van de subsidieregeling Milieukwaliteit Elektriciteitsproductie (MEP) niet van langetermijnvisie. Andere landen hanteren in enkele gevallen een systematiek van een “feed-in-tarief” over een langere periode van jaren. Dat consistente beleid, zo blijkt uit het recente PwC-onderzoek “Crisis or not - renewable energy is hot”, heeft merkbaar bijgedragen aan de uitbreiding van investeringen in met name windenergie, maar ook in zonne-energie.
Juist nu, in een situatie van economische recessie zal de overheid extra stappen moeten zetten om investeringen in duurzame energiewinning op peil te houden. Uiteraard om de doelstellingen te kunnen halen en de ontwikkeling van duurzame energie op peil te houden. Deze investeringen kunnen tegelijkertijd ook een boost zijn voor de economie.
Het behalen van de energiedoelstellingen van dit kabinet is niet eenvoudig, maar zeker niet onmogelijk. Met fundamentele verbeteringen in het ondernemingsklimaat kan het bedrijfsleven gestimuleerd worden om voortgang te boeken met de productie van duurzame energie.