Op 1 januari 2007 is de Pensioenwet in werking getreden die in de plaats is gekomen van de Pensioen- en spaarfondsenwet. In de Pensioenwet worden middels het daarin opgenomen Financieel Toetsingskader voorwaarden gesteld aan de financiering van de pensioenfondsen. Deze voorwaarden zijn verder uitgewerkt in het "besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen" dat eveneens op 1 januari 2007 in werking is getreden.
De doelstelling van het Financieel Toetsingskader (FTK) is gebaseerd op de bescherming van de pensioentoezegging van deelnemers in een pensioenfonds. De financiële opzet van een pensioenfonds moet transparant zijn en de pensioenverplichtingen dienen een realistisch beeld te geven. Verder dient een helder inzicht te worden verkregen van de risico’s die het pensioenfonds loopt. Het FTK vereist eigen verantwoordelijkheid en vormt een toetsingsinstrument waarmee pensioenfondsen hun bedrijfsvoering en risicobeheer verantwoord kunnen invullen. Het FTK stelt eisen aan onder meer het niveau van de dekkingsgraad en het kunnen opvangen van een daling van de aandelenkoersen, maar ook van een rentedaling. De Nederlandsche Bank (DNB) houdt hierop toezicht door het pensioenvermogen van het pensioenfonds periodiek te toetsen. Daarnaast stelt DNB eisen aan de hoogte van de premie.
Overeenkomstig het FTK dienen de pensioenverplichtingen te worden berekend op marktwaarde. Hierbij dient te worden uitgegaan van de door DNB gepubliceerde actuele rentetermijnstructuur. Verder dienen de technische grondslagen (levensverwachting, arbeidsongeschiktheid e.d.) prudent te zijn. Er dient tevens rekening te worden gehouden met de voorzienbare trend in overlevingskansen.
Het FTK heeft onder meer tot verscherping van de solvabiliteitseisen geleid. Het pensioenfonds dient te toetsen of de financiële middelen voldoende zijn om de opgebouwde pensioenverplichtingen te kunnen nakomen. Daarnaast dient getoetst te worden of het vermogen van het pensioenfonds toereikend is om de opgebouwde pensioenverplichtingen na een periode van één jaar met een grote waarschijnlijkheid (97½%), gelet op de aanwezige risico’s, te kunnen nakomen. Op basis van het door DNB ontwikkelde standaardmodel, een vereenvoudigd model of een intern risicomodel dient een pensioenfonds bij de toetsing rekening te houden met marktrisico’s, kredietrisico’s en verzekeringstechnische risico’s. Voorbeelden van deze risico’s zijn tegenvallende beleggingsrendementen, rentedalingen, structurele afwijkingen van de verwachte kosteninflatie, het optreden van een groot verzekeringstechnisch risico of slechte verzekeringstechnische resultaten.
Indien op enig moment blijkt dat de middelen van een pensioenfonds niet voldoende zijn dient het pensioenfonds maatregelen te nemen om het ontstane tekort op te heffen. Dit dient te gebeuren door het uitvoeren van een korte- dan wel langetermijnherstelplan.
Een pensioenfonds dient ten minste eens in de drie jaar een continuïteitsanalyse uit te voeren. In een continuïteitsanalyse dient het pensioenfonds de solvabiliteitsontwikkeling voor de langere termijn zichtbaar te maken en dient inzicht gegeven te worden in de effectiviteit van de financiële opzet. Daarnaast dient te worden bezien of het pensioenfonds met de beschikbare beleidsinstrumenten voldoende sturingskracht heeft de verplichtingen op langere termijn na te komen. Er wordt onder meer gelet op het premie-, indexatie- en beleggingsbeleid met het bijbehorende risicomanagement. Tevens dient inzicht te worden gegeven in de mate waarin de toeslagen naar verwachting kunnen worden toegekend.
Een pensioenfonds dient een kostendekkende premie bij de aangesloten werkgever(s) in rekening te brengen. Deze kostendekkende premie bestaat niet alleen uit de actuariële premie die benodigd is voor opbouw van de pensioenaanspraken maar tevens uit een solvabiliteitsopslag, een opslag voor uitvoeringskosten van het pensioenfonds en een premie ten behoeve van toeslagverlening (indien de toeslagen gefinancierd worden door premies). Het is mogelijk de kostendekkende premie te dempen door bij de actuarieel benodigde premie uit te gaan van een gemiddelde rente over een periode van maximaal 10 jaar. Bij de berekening van de actuarieel benodigde premie mag overigens ook uitgegaan worden van het verwachte rendement op de beleggingen. In geval van demping dient de gemiddelde rente of rendement gebaseerd te worden op een goed onderbouwde analyse.
In de Pensioenwet is omschreven dat een pensioenfonds moet vastleggen of er toeslagen worden verleend en, zo ja, wat het ambitieniveau is en welke voorwaarden gelden bij de toeslagverlening. De indexatiemogelijkheden zijn uitgewerkt en vormgegeven in de zogenaamde indexatiematrix die DNB in haar toezicht op pensioenfondsen toepast. In de indexatiematrix wordt onderscheid gemaakt tussen de verschillende vormen van mogelijk indexatiebeleid, variërend van geen indexatietoezegging tot een onvoorwaardelijke indexatietoezegging. De matrix toont voor elk van deze categorieën de voorwaarden waaraan een pensioenfonds moet voldoen. Deze voorwaarden hebben betrekking op de financiering, het pensioenreglement en de informatie die aan de deelnemers moet worden verstrekt. De teksten in de matrix bevatten de minimale voorschriften die het fonds moet opvolgen. Een pensioenfonds is vrij om uitgebreidere informatie aan de deelnemer te verstrekken. DNB toetst of de minimale voorschriften inderdaad worden opgevolgd.
De beleggingen van een pensioenfonds dienen zodanig te zijn dat de veiligheid, de liquiditeit en het rendement van de portefeuille als geheel zijn gewaarborgd. Hierbij dient een pensioenfonds een beleggingsbeleid te voeren dat in overeenstemming is met de prudent-person regel die gebaseerd is op de volgende uitgangspunten.
Als gevolg van de invoering van het FTK zijn de korte termijn risico’s meer een rol gaan spelen. Een mogelijkheid om deze risico’s te beperken is onder meer door kortlopende obligaties te vervangen door langlopende. Dit betekent een wijziging in het beleggingsbeleid waarvan de consequenties door Asset Liability Management (ALM) studies zichtbaar kunnen worden gemaakt. Een andere wellicht aantrekkelijke mogelijkheid is het gebruik van rentederivaten. Hierdoor kan de looptijd van beleggingen verlengd worden tot die van de verplichtingen, de zogenoemde overlay-strategie. Met een renteswap of een optie op een swap (swaption) kan het renterisico nauwkeurig worden afgedekt. Hierdoor kan een pensioenfonds zich indekken tegen de gevolgen van een rentedaling zonder af te zien van de voordelen die een rentestijging met zich meebrengt.
Met ingang van 1 januari 2007 is het FTK voor pensioenfondsen van toepassing. Als gevolg hiervan is het van belang dat een pensioenfonds de aanwezige risico’s op de balans structureel tegen het licht houdt. Met name het renterisico is hierbij een belangrijke factor.