Over het familiebedrijf is in mondiaal perspectief maar weinig bekend. Een wereldwijd onderzoek van PricewaterhouseCoopers maakt daaraan een einde. Het onderzoek bevat opmerkelijke conclusies. Zo verwachten veel bedrijven moeilijkheden rond de opvolging, maar tegelijkertijd is er optimisme over de toekomst. Terecht, of niet?
Niet alleen het Nederlandse familiebedrijf heeft een opvolgingsprobleem. Uit een wereldwijd onderzoek van PricewaterhouseCoopers blijkt dat er de komende jaren in veel markten een enorm aanbod is van te koop staande bedrijven. Moet in Nederland 29 procent van de familiebedrijven de komende vijf jaar actief op zoek naar een opvolger of koper, wereldwijd is dat een kwart. En over de hele linie geldt dat er in de helft van de gevallen buiten de kring van bloedverwanten moet worden gezocht. Vooral de private equity-sector zal het de komende jaren druk gaan krijgen, zo blijkt. In Nederland denkt 35 procent daar een koper te vinden (wereldwijd 20 procent), terwijl buiten de grenzen ook een managementbuy-out (14 procent, in Nederland 5 procent) of een beursgang (11 procent, in Nederland geen enkele gegadigde) serieus wordt overwogen.
Gezien de hoge inzet zijn de voorzorgsmaatregelen gering. Zo heeft wereldwijd 55 procent geen concreet bedrijfsopvolgingsplan klaarliggen, en heeft twee derde zelfs geen geschiktheidscriteria afgesproken waaraan opvolgers Ð ook in de familie Ð moeten voldoen. En dat terwijl bijna een kwart van de Nederlandse deelnemers aan het onderzoek aangeeft dat ze fricties over de opvolgingskwestie in meer of mindere mate waarschijnlijk achten. In dat opzicht zijn ze overigens pessimistischer dan hun buitenlandse collega’s, van wie 16 procent problemen verwacht.
Over het familiebedrijf is in mondiaal perspectief eigenlijk maar verrassend weinig bekend. Dit gebrek aan inzicht gaat steeds meer knellen nu ook deze voor de economische ontwikkeling zo vitale sector snel internationaliseert, menen deskundigen van PricewaterhouseCoopers. Daarom kreeg de Britse International Survey Unit opdracht een representatieve groep familiebedrijven in Noord-Amerika, Europa en de BRIC-landen (Brazilië, Rusland, India en China) een uitgebreide vragenlijst voor te leggen. De 1454 meewerkende bestuurders werden doorgevraagd over de uitdagingen en bedreigingen voor de toekomst. Opvallend genoeg is er, ondanks de opvolgingsproblematiek, een groot optimisme over de groeimogelijkheden. Meer dan twee derde van de respondenten verwacht het lopende boekjaar een ‘redelijk tot significante’ toename van de omzet, en bijna driekwart voorziet een aanhoudende strategische expansie.
Eenzelfde optimistisch beeld geldt voor de verwachte winstontwikkeling en concurrentiepositie. Meer dan de helft verwacht meer winst te gaan maken en 93 procent schat het eigen concurrentievermogen als goed tot voldoende in. Driekwart van de bedrijven wil meer investeren in de merknaam, innovatie van producten of in de verkoopinspanningen.
De verwachte ontwikkeling van de kapitaaluitgaven lijkt enigszins in strijd met deze ambitieuze doelstelling. Veertig procent van de respondenten verwacht een stijging, eenzelfde groep denkt te stabiliseren, de rest voorziet een teruggang. De uitkomsten van de 59 Nederlandse respondenten zijn in lijn met deze resultaten.
Familiebedrijven blinken niet altijd uit in het structureren van toekomstplannen - die conclusie kan hieruit worden getrokken. Weliswaar zegt driekwart wel over een strategisch ondernemingsplan te beschikken, maar als wordt doorgevraagd blijkt dat dikwijls al wat ouder te zijn en geeft bijna 50 procent van de respondenten aan twijfels te hebben of het plan voldoende bekend (en dus geaccepteerd) is in de rest van de organisatie.
Interessant is natuurlijk ook om te kijken wat de respondenten denken van hun grootste in- en externe bedreigingen (of uitdagingen, zo u wilt). Opvallend is allereerst dat familiebedrijven zich veel minder dan andere bedrijfscategorie‘n zorgen zeggen te maken over financiële zaken. Maar 12 procent (Nederland: 10 procent) voorziet een mogelijk tekort aan krediet of risicodragend kapitaal. Wel valt een discrepantie op tussen Nederland en de rest van de wereld bij de vraag of de verwachte kasstroom voldoende is om de doelstellingen voor de komende twaalf maanden te realiseren. Geeft wereldwijd een kwart aan krapte te verwachten, van de Nederlandse populatie maakt maar 8 procent zich zorgen. Nederlandse familiebedrijven blijken daarentegen wel weer een bovengemiddelde noodzaak tot reorganisatie te voelen. Iets meer dan de helft van de bestuurders verwacht de bestaande organisatievorm op termijn te moeten herzien, tegenover een kwart van hun internationale collega-ondernemers.
Over de overige kansen en bedreigingen zijn de ondervraagde bedrijven vrijwel unaniem. Ruim 40 procent noemt het aantrekken van geschikt personeel op een krappe arbeidsmarkt een bedreiging, en een vijfde vreest margedruk. Het gevaar dat nieuwe technologie de eigen producten of diensten op termijn zal marginaliseren, wordt minder gevoeld. Maar 9 procent (Nederland: 12 procent) beschouwt dit als een item dat directe aandacht verdient van het management. Voorts wordt de regeldruk van overheden als een bedreiging beschouwd (33 procent), terwijl de fileproblematiek zowel in Nederland (7 procent) als daarbuiten (5 procent) juist weer geen issue blijkt te zijn.
Voor meer informatie over de Family Business Survey.
|
‘Te veel managers en te weinig echte ondernemers’ |
|
‘Ik vraag me af waarom dit geen politiek issue is’ |
|
Niemand wil schuldenvrij ondernemen
Bron: Global Family Business Survey 2007. Cijfers zijn percentages. |