Erven en schenken fiscaal aantrekkelijker

Special: Familiebedrijven


Eindelijk is er duidelijkheid geschapen over een fiscaal heet hangijzer rond familiebedrijven.

Alom groeit het inzicht dat de werkgelegenheid en de economische groeikracht gebaat zijn bij het voorzetten van zoveel mogelijk familiebedrijven.

Eindelijk is er duidelijkheid geschapen over een fiscaal heet hangijzer rond familiebedrijven. Het tarief van het successie- en schenkingsrecht dat familieleden moeten betalen als ze hun onderneming willen voortzetten na vererving of schenking, is aanzienlijk teruggebracht. Ook de criteria waaraan moet worden voldaan om voor deze regeling in aanmerking te komen, zijn verduidelijkt. Daarmee is een van de voornaamste belemmeringen voor het ongehinderd voortzetten van het familiebedrijf door een volgende generatie uit de weg geruimd. Althans, voor een belangrijk deel.
Midden vorig jaar kondigde de verantwoordelijke staatssecretaris De Jager van Financiën aan dat het bestaande tarief van 27% successie- of schenkingsrecht wordt teruggebracht naar 6,75%. Voorwaarde is wel dat de begunstigde een belang van 5% of meer erft in de vennootschap of dat eenzelfde belang wordt geschonken. Daarnaast is bepaald dat driekwart van de waarde van het bedrijf voortaan vrij van heffing zal zijn. Er hoeft dus slechts over het resterende deel een veel lagere heffing te worden voldaan. Bovendien mag de betaling van het verschuldigde bedrag in de nieuwe regeling over een periode van maximaal tien jaar worden uitgesmeerd.
De bedoeling van de wetgever is duidelijk, concludeert de in familiezaken gespecialiseerde fiscalist Xavier Auerbach van PricewaterhouseCoopers.
‘De hoge successie- en schenkingsrechten zijn er in het verleden de oorzaak van geweest dat op zich nog kansrijke familiebedrijven ten onder gingen omdat de verschuldigde rechten op het moment van bedrijfsopvolging direct moesten worden voldaan. Die last bleek soms te zwaar. Ook wil de staatssecretaris met deze tegemoetkoming een einde maken aan de praktijk dat veel belastingadviseurs kunst- en vliegwerk moeten uithalen om er zeker van te zijn dat hun cliënten in een gunstiger regime terechtkomen.’

De ingrepen passen volgens Auerbach in de trend dat steeds meer landen in Europa de bedrijfsopvolging ook fiscaal willen faciliteren. Alom groeit het inzicht dat de werkgelegenheid en de economische groeikracht gebaat zijn bij het voorzetten van zoveel mogelijk familiebedrijven. Om die reden hebben landen als Zweden en Oostenrijk eerder al besloten het successie- en schenkingsrecht in zijn geheel af te schaffen. Gezien het relatief grote aantal familiebedrijven dat in Nederland tussen nu en vijf jaar wordt overgedragen aan een volgende generatie, is Auerbach er een voorstander van dat het ministerie van Financiën op niet al te lange termijn ook dat laatste stapje zal maken. ‘Ons ondernemingsklimaat zou er mee gediend zijn.’