Welk effect is merkbaar van de nieuwe verslaggevingsregels?
Ondernemingen in Nederland hebben in de afgelopen tijd de waardering van hun pensioenverplichtingen uitgevoerd volgens de aangepaste verslaggevingsregels. De wijzigingen zijn erop gericht de vergelijkbaarheid en de transparantie van gepresenteerde cijfers te vergroten. Dit bevordert de werking van de financiële markten; een gunstige ontwikkeling voor zowel pensioendeelnemers als pensioenfondsen. Voor veel organisaties heeft de gewijzigde waardering van pensioenverplichtingen echter een groot effect op de balans en winst- en verliesrekening. Dit kan een reden zijn om de pensioenregeling en de financiering daarvan (soms ingrijpend) te wijzigen. Is dit voor uw onderneming de juiste strategie?
Uniforme waardering pensioenverplichtingen
Ieder pensioenfonds in Nederland heeft voor boekjaar 2005 te maken met wijzigingen in de verslaggevingsregels, die merkbaar zullen zijn in de jaarrekening van ieder pensioenfonds. Beursgenoteerde fondsen dienen IAS 19 inzake ‘Employee Benefits’ toe te passen, onderdeel van de EU-goedgekeurde International Financial Reporting Standards (IFRS). Voor niet-beursgenoteerden geldt het geheel gewijzigde hoofdstuk 271 van de Richtlijnen Jaarverslaggeving over de verantwoording van pensioenen en andere personeelsbeloningen. RJ 271 is toegesneden op IAS 19, zonder de aanpassingen van december 2004. Op pensioenen in de jaarrekeningen van kleine en middelgrote ondernemingen past RJ 271 een andere behandeling toe, waardoor de kans bestaat op vrijstellingen.
Belangrijkste wijzigingen
Elke onderneming met een defined benefit-pensioenregeling dient een geconstateerd tekort tussen pensioenverplichtingen en beleggingen als een voorziening op de balans op te nemen en een overschot onder voorwaarden als activum. Om te bepalen of sprake is van een overschot of een tekort, moeten de pensioenverplichtingen jaarlijks worden gewaardeerd tegen de dan geldende marktwaarde. Het vaststellen van deze Defined Benefit Obligation is een complex en tijdrovend vraagstuk, temeer omdat ook toekomstige ontwikkelingen en de verwachte indexatie moeten worden meegenomen. De gewijzigde interpretatie van het begrip ‘last’ heeft effect op de winst- en verliesrekening. De pensioenlast moet worden beschouwd als een voor het betreffende boekjaar evenredig deel van de voor de toekomst te begroten kosten. De hoogte van die last wordt vastgesteld door de kosten voor pensioenopbouw en interest af te zetten tegen de verwachte beleggingsopbrengsten. Wijkt de genomen last bij nader inzien af van de realiteit, dan mag het verschil in toekomstige jaren worden afgeschreven. Daarmee is dus wel weer een middel voorhanden om de toegenomen volatiliteit via de winst- en verliesrekening enigszins te beperken. Bijkomend voordeel is dat de financiële verslaglegging beter budgetteerbaar wordt.
Andere inrichting pensioenfonds
Veel werkgevers en pensioenfondsbestuurders kiezen vanwege de gewijzigde verslaggevingsregels voor een andere inrichting van hun pensioenfonds. Een eindloonregeling is een zware belasting en wellicht te duur. De individuele beschikbare-premieregeling is wellicht een beter instrument, of een regeling met een solidariteitsprincipe zoals de beschikbare middelloonregeling met een collectieve beleggingsstrategie. De toezegging aan de deelnemers gebeurt dan op basis van het middelloon, maar de werkgever betaalt een vaste premie. De werknemer heeft zekerheid en er hoeft geen pensioenvoorziening op de balans en in de winst- en verliesrekening te worden opgenomen. Voorwaarde voor deze regeling is onder meer dat de financiële positie van het fonds bij aanvang gezond moet zijn. Er moet bijvoorbeeld worden afgesproken dat indexatie slechts op basis van de aanwezige middelen kan plaatsvinden, en dat alleen het pensioenfondsbestuur gerechtigd is om die beslissing te nemen. Als laatste voorbeeld geldt dat wettelijke waardeoverdrachten volledig uit de middelen van het fonds kunnen worden gefinancierd.