Werknemers zijn belasting verschuldigd over het genoten loon. In het normale spraakgebruik wordt onder loon meestal verstaan het geld dat in contanten, per cheque of door bijschrijving op een bankrekening wordt ontvangen van de werkgever in ruil voor de verrichte werkzaamheden. De fiscale betekenis van het begrip loon is echter aanzienlijk ruimer. Ook loon dat in natura wordt genoten is loon waarover belasting betaald moet worden. Anders dan bij loon dat in de vorm van geld wordt ontvangen, wordt het in natura ontvangen loon niet altijd ervaren als een vergoeding voor de verrichte arbeid en vindt men het niet altijd vanzelfsprekend dat daarover ook nog belasting moet worden betaald. Het kan lastig zijn om het genoten loon in natura op een bepaald bedrag te waarderen. Dit bedrag is dan de basis waarover vervolgens de verschuldigde belasting wordt berekend.
Loon in natura kent vele verschijningsvormen. Zo geniet een werknemer die in een huis woont van zijn werkgever en daarvoor geen (of een lage) huur betaalt een voordeel in natura. Een werknemer die voor privé-doeleinden gebruik mag maken van een bedrijfsauto geniet een loonbestanddeel in natura. Voor werknemers die werkzaam zijn in hotels en restaurants is het niet ongebruikelijk dat ze via de werkgever maaltijden krijgen verstrekt. Deze werknemers genieten een voordeel omdat ze minder geld kwijt zijn aan eten en drinken; zij besparen op de kosten die een gezin hiervoor normaliter maakt. En wat te denken van een bedrijf dat haar personeelsleden in staat stelt om tegen een lage rente of zelfs renteloos geld te lenen? Of een bedrijf dat aan haar personeelsleden kleding verstrekt dat zij tijdens de uitoefening van het werk moeten dragen, maar ook heel goed buiten werktijd gedragen zou kunnen worden?
Dit zijn slechts een paar voorbeelden van loon in natura. Om over deze loonbestanddelen belasting te kunnen heffen moet er een bepaalde waarde aan worden toegekend. Dat lijkt vaak gemakkelijker dan het is en levert nogal eens discussies op met de fiscus.
Het algemene uitgangspunt is dat beloningen in natura gewaardeerd worden op de waarde in het economisch verkeer, zeg maar de prijs die normaal gesproken voor de verstrekking moet worden betaald (consumentenprijs). Van de regel dat de waarde in het economisch verkeer als uitgangspunt wordt genomen kan worden afgeweken. Gekeken wordt dan naar de zogenaamde besparingswaarde die het genoten loonbestanddeel voor de werknemer heeft. Vaak gaat het dan om loonbestanddelen in natura die niet zozeer bedoeld zijn om de werknemer te bevoordelen, maar die plaatsvinden in het belang van een goede vervulling van de dienstbetrekking of om loonbestanddelen die de werknemer niet te gelde kan maken.
De fiscus heeft (meestal in de vorm van Ministeriële aanschrijvingen) voor tal van loonbestanddelen in natura een aantal waarderingsvoorschriften gegeven. Eén specifieke waarderingsregel is in de wet vastgelegd, namelijk de waardering van het voordeel van de auto van de zaak. Kort gezegd houdt deze regel in dat het jaarlijkse voordeel wordt gesteld op 15% van de nieuwwaarde van de auto. Andere waarderingsregels zijn bijvoorbeeld te vinden voor de situatie dat de werkgever een woning gratis dan wel tegen een geringe vergoeding aan een werknemer ter beschikking stelt. Voor de situatie dat een werkgever de privé-telefoonrekening van de werknemer betaalt geldt eveneens een waarderingsregel. Dit is ook het geval voor de door een werkgever verstrekte laagrentende of renteloze lening. Ook zijn er aanschrijvingen over hoe naar het oordeel van de fiscus moet worden omgesprongen met de waardering van door de werkgever verstrekte werkkleding. Hoe voor de heffing van loonbelasting moet worden omgegaan met bedrijven die aandelenopties verstrekken aan hun werknemers zijn ook regels opgesteld. Het feit dat al deze aanschrijvingen nodig zijn geeft al aan hoe lastig het is om de waarde van loon in natura vast te stellen. Overigens betekent het bestaan van deze aanschrijvingen niet een einde van alle discussies op dit terrein. Hiervoor is de problematiek te complex en het aantal varianten van beloningen in natura te groot.
Voorbeeld 1
Een op Curaçao gevestigd bouwbedrijf geeft als bonus aan één van zijn werknemers en diens echtgenote twee vliegtickets voor het maken van een vakantiereis naar Nederland. Normaliter gaat deze werknemer zelf ook op vakantie naar Nederland. De tickets kosten bij het reisbureau 2.000 gulden. De werkgever heeft een korting gekregen op de ticketprijs van in totaal 200 gulden, vanwege het feit dat het bedrijf zeer regelmatig tickets afneemt van het betreffende reisbureau.
Uitwerking
De werknemer geniet een voordeel van 2.000 gulden, waarover loonbelasting en premies dienen te worden ingehouden. De door de werkgever verkregen korting heeft in beginsel geen invloed op het bij de werknemer in aanmerking te nemen voordeel.
Voorbeeld 2
Een op Curaçao gevestigd hotel heeft werknemers in dienst die regelmatig moeten overwerken. Ingeval van overwerk kunnen zij in het restaurant van het hotel een broodmaaltijd of een warme maaltijd nemen zonder dat hiervoor hoeft te worden betaald. Gasten in het hotel betalen voor dezelfde broodmaaltijd ongeveer 10 gulden en voor een warme maaltijd ongeveer 25 gulden.
Uitwerking
Indien hier de regel zou worden toegepast dat de consumentenprijs tot het loon moet worden gerekend zou een bedrag van 10 respectievelijk 25 gulden belast worden. De wetgever geeft echter aan dat zover de verwerving van het loon het gebruik of verbruik daarvan meebrengt, de waarde wordt gesteld op ten hoogste het bedrag van de besparing. Vandaar dat hier niet de waarde in het economisch verkeer maar de besparingswaarde in aanmerking wordt genomen. Wat deze besparingswaarde is, kan niet eenvoudig worden beantwoord. De betreffende werknemer hoeft thuis zelf geen maaltijd meer te bereiden omdat hij al op zijn werk gegeten heeft; dat is de besparing. Echter, een werknemer met een relatief laag salaris en een groot gezin zal over het algemeen per gezinslid minder geld besteden aan een maaltijd dan de vrijgezel die een bovenmodaal inkomen heeft. Voor de besparingswaarde moet worden gekeken naar het normale bestedingspatroon van de betreffende werknemer. Dit levert voor de werkgever natuurlijk nogal wat problemen op voor wat betreft het op de juiste wijze inhouden van loonbelasting over het genoten voordeel. De fiscus heeft voor dergelijke maaltijden beleid vastgesteld. De fiscus neemt het standpunt in dat voor de waardering in de loonbelasting de waarde van een broodmaaltijd minimaal 2,50 gulden bedraagt en van een warme maaltijd minimaal 5 gulden bedraagt.