Navordering

De auteur is werkzaam bij PricewaterhouseCoopers als belastingadviseur. In deze rubriek wordt over diverse fiscale onderwerpen geschreven.

Navordering

De belastinginspecteur heeft een aantal mogelijkheden om onjuistheden te herstellen die zijn opgetreden bij het opleggen van een aanslag inkomstenbelasting.
Eén van deze mogelijkheden is het opleggen van een navorderingsaanslag.
De inspecteur kan echter niet zomaar van deze bevoegdheid gebruik maken. In beginsel dient de belastingplichtige erop te kunnen vertrouwen dat door het opleggen van een aanslag zijn fiscale verplichtingen over dat jaar definitief zijn afgerond. De belastingplichtige verdient met andere woorden rechtszekerheid.
De wet geeft aan in welke gevallen de inspecteur kan navorderen.
Het uitgangspunt bij navordering is dat de inspecteur moet beschikken over een zogenaamd ‘nieuw feit’. Een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan dus in beginsel geen grond voor navordering opleveren.

Een voorbeeld:
Een belastingplichtige heeft in zijn aangifte inkomstenbelasting 2006 een onjuist bedrag aan rente-inkomsten aangegeven. Hij heeft per abuis op het aangiftebiljet de gegevens ingevuld van het door de bank verstrekte jaaroverzicht van 2005. Als bijlage bij de aangifte wordt echter wel het jaaroverzicht van 2006 meegestuurd, waarop het juiste bedrag staat vermeld. De inspecteur legt toch de aanslag op conform de aangifte. In een dergelijke situatie kan gesteld worden dat navordering door de inspecteur niet mogelijk wegens het ontbreken van een nieuw feit.

Er zijn echter situaties denkbaar, waarin de inspecteur ondanks het feit dat hij niet beschikt over een nieuw feit, toch mag navorderen. In de eerste plaats is dit mogelijk in een aantal in de wet specifiek genoemde gevallen. Genoemd wordt bijvoorbeeld de situatie dat op de aanslag een te hoog bedrag wegens inhouding van loonbelasting is verrekend. Ook als bijvoorbeeld een te hoog bedrag aan basiskorting is verleend kan de inspecteur deze fout herstellen door het opleggen van een navorderingsaanslag.
In de tweede plaats kan een inspecteur ook navorderen zonder een nieuw feit als de belastingplichtige te kwader trouw is. In het algemeen geldt dat een belastingplichtige te kwader trouw is als hij de inspecteur opzettelijk onjuiste inlichtingen heeft verstrekt of opzettelijk de juiste informatie heeft achtergehouden.
In de derde plaats kan een inspecteur door middel van een navorderingsaanslag een fout herstellen die voor de belastingplichtige (of diens adviseur) duidelijk moet zijn geweest. In de praktijk gaat het dan vaak om schrijf- of tikfouten.

Een voorbeeld:
Een belastingplichtige heeft in zijn aangifte een belastbaar inkomen aangegeven van 300.000 gulden. Bij het vaststellen van de aanslag wordt het belastbaar inkomen zonder enig denkbare reden gesteld op 30.000 gulden. In de regel zal een dergelijke schrijf- of tikfout kunnen worden gerepareerd door het opleggen van een navorderingsaanslag.

De termijn waarbinnen de inspecteur een navorderingsaanslag kan opleggen is aan termijnen gebonden. De wet kent 3 verschillende navorderingstermijnen.
In beginsel vervalt de bevoegdheid tot het opleggen van een navorderingsaanslag door verloop van 10 jaar na het ontstaan van de belastingschuld. Voor de specifiek in de wet opgenomen gevallen waarin navordering ook mogelijk is zonder dat er sprake is van een nieuw feit (onder andere als een voorheffing onjuist is verrekend of een te hoog bedrag aan basiskorting is verleend), bedraagt de termijn 5 jaar.
De navorderingstermijn bedraagt 15 jaar indien te weinig belasting is geheven over buitenlandse inkomensbestanddelen. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan de rente-opbrengsten die worden genoten op een in het buitenland aangehouden bankrekening of de huuropbrengsten uit een woning in het buitenland.