De auteurs zijn werkzaam bij PricewaterhouseCoopers als belastingadviseurs. In deze rubriek wordt over diverse fiscale onderwerpen geschreven.
Het onderstaande artikel werd in twee delen gepubliceerd.
Belastingherziening een noodzaak
Niets wijzigt zo snel als belastingwetten. Dit in vergelijking met andere wetten. Internationaal bestaat al jaren de tendens om de belastingwetgeving te vereenvoudigen. Het idee is lagere tarieven en bredere grondslag. Op de Nederlandse Antillen lijken we wat achter de muziek aan te lopen.
Het is soms pijnlijk om te zien hoe regeerders menen met steeds nieuwe heffingen en hogere tarieven en anderzijds steeds meer uitzonderingen tot een verbetering van de draagkracht denken te komen. Als een triest voorbeeld in Nederland kan wel de bijtelling voor privé-gebruik van de bedrijfsauto worden genoemd. Bijna jaarlijks gaat het bijtellingspercentage omhoog, omlaag, worden meerdere percentages toegepast, of worden alle bijtellingen weer samengevoegd tot één percentage. Een duidelijker voorbeeld van een fiscale regelgever die niet weet waar het heen moet, is welhaast ondenkbaar.
Belastingvereenvoudiging is dan ook noodzaak, in Nederland, wereldwijd, en zeker ook in de Nederlandse Antillen. De mooiste belasting is een belasting die een brede grondslag heeft, weinig uitzonderingen kent en een laag tarief heeft. Wat op zich los staat van de hoogte van de belastingdruk. In deze bijdrage beperken wij ons tot de eenvoud en het tarief. In de jaren negentig ontstonden er tekorten op de begroting van de Nederlandse Antillen. Het antwoord daarop werd gevonden in belastingverhogingen. Met het stijgen van de belastingdruk groeide echter vanzelf het belang of wellicht de bittere noodzaak, tot gedetailleerde regelgeving en uitzonderingen om het voor de minder draagkrachtigen onder ons nog een beetje aanvaardbaar te houden. Rond 2000 kwam er een omkeer. Belastingen werden verlaagd. Zo ging het hoogste tarief in de winstbelasting, die over de winst van NV’s en BV’s wordt geheven, omlaag van 44,85% naar 34,5%. Toevallig had Nederland in die tijd ook een tarief van 34,5%. De meeste ontwikkelde landen, en veel landen in de regio, hadden ook tarieven van boven de 30%. Inmiddels is de situatie echter heel anders geworden. Nadat enkele Scandinavische landen na 1990 hun grondslag verbreedden (onder andere door aftrekposten te schrappen) en hun tarieven te verlagen tot onder de 30%, hebben velen dat voorbeeld gevolgd. Resultaat: Ierland heeft met een tariefsverlaging van 40% naar 12,5% de weg vrijgemaakt voor een geweldige economische groei, het gemiddelde tarief van de Europese Unie is in tien jaar tijd gedaald van 35% naar ca. 25%. Nederland heeft zelf het tarief verlaagd naar 20% als basis en met een top van 25,5%. Met andere woorden, de Nederlandse Antillen hebben een tarief dat 14,5% hoger ligt dan Nederland. Hetzelfde geldt voor de inkomstenbelasting. Tot de jaren tachtig had Nederland een toptarief van 80% (inkomsten- en vermogensbelasting). Inmiddels heeft men dat verlaagd naar een toptarief van 52%. Vermogensinkomsten worden nog slechts belast tegen een tarief van 30%. In de Nederlandse Antillen is het toptarief de laatste jaren inmiddels verlaagd van 60% naar 49,4%, maar daarnaast worden nog premies geheven voor sociale verzekeringen. Het lijkt dus de hoogste tijd dat wij ook onze tarieven verlagen. Stijgende tarieven resulteren in meer vrijstellingen en ingewikkelde regelgeving. Andersom kun je met een aanzienlijke tariefsverlaging ook sterk vereenvoudigen. Tegenover het nadeel van minder aftrekposten en vrijstellingen staat immers het grote voordeel dat over het totale inkomen minder belasting wordt betaald.
Belastingherziening een noodzaak (2)
Internationaal bestaat al jaren de tendens om de belastingwetgeving te vereenvoudigen. Het idee is lagere tarieven en bredere grondslag. Op de Nederlandse Antillen lijken we wat achter de muziek aan te lopen.
Welke vereenvoudigingen zijn zoal denkbaar? De meest eenvoudige vorm is een flat tax. Een vast tarief, ongeacht het inkomen. Het liefst zou dat een tarief moeten zijn waarin loonbelasting en premies voor AOV, AWW en AVBZ zijn meegenomen. De werkgevers zijn verplicht om een vast percentage af te dragen over hun totale loonsom, met inbegrip van inkomsten in natura, pensioenpremies en dergelijke. Deze loonsomheffing is tevens eindheffing, dat wil zeggen dat wie alleen loon geniet, geen aangifte inkomstenbelasting hoeft te doen, maar ook geen geld terug kan krijgen wegens aftrekposten. Wie een eigen bedrijf heeft, buiten een vaste baan arbeidsinkomsten geniet, of vermogensinkomsten heeft, moet een aangifte indienen, maar ook daar geldt hetzelfde vaste en lage percentage, en ontbreken aftrekposten zoals hypotheekrente of buitengewone lasten.
In de winstbelasting zou hetzelfde kunnen. Denk aan een tariefsverlaging van 34,5% naar bijvoorbeeld 10 of 15%. Daartegenover geen tax holidays, geen investeringsaftrek, vervroegde afschrijving en dergelijke. De omzetbelasting kan worden vervangen door een belasting over toegevoegde waarde, (BTW). Voordeel hiervan is dat de cumulatie die nu ontstaat bij verkopen tussen ondernemers, de dubbele belastingdruk, vervalt. De BTW zou zelfs kunnen worden verhoogd tegenover een afschaffing of verlaging van invoerrechten. Daarmee wordt de export direct gestimuleerd omdat je de BTW bij export terugkrijgt.
Bij een dergelijk grote wijziging mogen degenen onder ons met een klein inkomen, de mensen die van de bijstand leven, van een AOV-uitkering of een klein pensioen, er niet op achteruit gaan. Ook hier zou een belangrijke vereenvoudiging denkbaar zijn. Wie een laag inkomen heeft komt in aanmerking voor meerdere kleine regelingen die allemaal erop gericht zijn financiële problemen te verhelpen. Het wordt tijd al deze naast elkaar bestaande regelingen te inventariseren, vervolgens vast te stellen wat het bestaansminimum is dat iemand nodig heeft om te kunnen leven, en dan een regeling te maken op basis waarvan iedereen die onder dat bestaansminimum komt, een tegemoetkoming kan krijgen. Dat betekent enerzijds een grote verlichting voor de mensen die deze hulp nodig hebben omdat ze nu allerlei kanalen moeten aanboren om geholpen te worden en in de rij moeten staan om hun rechten te krijgen. Anderzijds betekent het een aanzienlijke administratieve vereenvoudiging voor de overheid, omdat allerlei diensten en loketten samengevoegd kunnen worden.
Niet alles kan eenvoudig worden ingevoerd. Wel zullen een aantal stokpaardjes (lees: onze eigen zo geliefde faciliteiten en aftrekposten) moeten worden aangepast. Als we echt willen vereenvoudigen is dit de enige weg. Elke andere vorm van vereenvoudiging door hier en daar wat te corrigeren leidt uiteindelijk alleen maar tot meer ingewikkelde regelgeving. Voor politici zijn uiteraard de budgettaire gevolgen voor de overheid van groot belang. Het belangrijkste is dat we eerst vaststellen dat we moeten vereenvoudigen. Als we hebben vastgesteld welke kant we daarbij op moeten en kunnen, kan het budgettaire plaatje worden ingevuld. Daarbij zal dan overigens ook rekening moeten worden gehouden met wat men noemt het ‘inverdieneffect’, doordat als gevolg van de belastingverlaging men meer gaat besteden waardoor de bedrijven meer gaan investeren, meer winst gaan maken, en over die grotere winst meer belasting gaan betalen. Voor de Nederlandse Antillen is het tijd om knopen door te hakken om niet achter te blijven lopen op internationale ontwikkelingen. Het is tijd om belastingen te vereenvoudigen en tarieven te gaan verlagen.