Afvalstoffenbelasting en accijnzen zijn onderwerpen waarover in de afvalindustrie regelmatig onduidelijkheid bestaat. Onder welke voorwaarden bent u wel of niet belastingplichtig? Bovendien verandert de fiscale wet- en regelgeving op milieugebied regelmatig. Weet u zeker of u de wet juist toepast en of u niet te veel wordt belast?
Afvalstoffenbelasting
Afvalverwerkinginrichtingen zijn belastingplichtig over afval dat bij hen wordt gestort en over verwijdering van afvalstoffen die binnen de inrichting zijn ontstaan. Het doel van de afvalstoffenbelasting is het stimuleren dat afval vanuit milieuperspectief op een zo goed mogelijke manier wordt verwerkt. Hergebruik en uiteraard het voorkomen van afval zijn het meest wenselijk, storten en verbranden het minst.
Nuttige toepassing afvalstoffen
Het begrip ‘nuttige toepassing’ biedt mogelijkheden om besparingen te realiseren op de afvalstoffenbelasting. Hierbij is van groot belang dat de actuele regelgeving en de daarbij geldende, strikte voorwaarden, die overigens regelmatig wijzigen als gevolg van jurisprudentie, evenals de kaderrichtlijn Afvalstoffen worden nageleefd. Hierdoor kan discussie ontstaan over eventuele naheffingen van de Belastingdienst, ondanks dat een afvalstof nuttig is toegepast binnen een inrichting of dat secundaire bouwstoffen (zoals AVI-bodemas en asfaltgranulaat) van oude, buiten werking gestelde en gesaneerde stortplaatsen zijn benut.
Accijnzen
Over sommige soorten afval die als brandstof worden gebruikt, kan accijns worden (na-)geheven. Dit geldt ondermeer voor afvaloliën en restproducten van de chemische industrie, maar ook voor bepaalde plantaardige en dierlijke vetten en oliën. Deze producten kwalificeren mogelijk als minerale oliën of worden hiermee gelijkgesteld. Naar aanleiding hiervan kunnen zich situaties voordoen waarin milieuwetgeving voorschrijft dat verontreinigde minerale oliën volgens een bepaalde methode moeten worden vernietigd, waarbij de bij de verbranding vrijkomende warmte zoveel mogelijk nuttig moet worden toegepast. Het gevolg hiervan kan zijn dat de douane oordeelt dat er hierbij sprake is van het gebruik als brandstof voor verwarmingsdoeleinden wat tot heffing van accijns zou leiden. Belangrijk in dit kader is de per 1 juli 2007 van kracht geworden vrijstelling van accijns die van toepassing is voor de uitslag en de invoer van in de wet op de accijns gedefinieerde minerale olien, andere dan koolwaterstoffen (bijvoorbeeld diverse biobrandstoffen, dierlijke vetten e.d.) die bestemd zijn voor verwarmingsdoeleinden. Belangrijk hierbij is dat om in aanmerking te komen voor de betreffende vrijstelling, de vrijstellingsgenietende in het bezit is van een zogenaamde accijnsgoederenplaats (AGP). Deze vrijstelling is onder meer van belang voor bedrijven die hun afvalproducten (zoals dierlijke vetten) verkopen om als brandstof te worden gebruikt.
Ondersteuning van PricewaterhouseCoopers
PricewaterhouseCoopers ondersteunt u graag op het gebied van afvalstoffenbelasting en accijnzen. Samen met u brengen we de mogelijke risico’s en de kansen van de actuele fiscale wet- en regelgeving voor uw specifieke situatie in kaart. Dit maakt het mogelijk aanzienlijke kostenbesparingen te realiseren op het gebied van milieubelastingen. Ook kunnen wij u, zoals wij in de afgelopen jaren bij diverse bedrijven in de afvalbranche hebben gedaan, assisteren bij controles van de Douane inzake mogelijke (na)heffing van accijns. Door het hoge kennisniveau en de uitstekende marktkennis kunnen onze specialisten steeds tijdig inspelen op toekomstige ontwikkelingen.